24 september 2026













Met negen HMLC-leden zaten we rond 10:45 aan de koffie ‘met’ (de inmiddels traditionele appeltaart) aan een kantinetafel van de voormalige vestingkazerne van de Vestingstad Naarden. Het was mooi najaarsweer. Ideaal voor een wandeling over de kazematten en om kanonschoten te lossen met losse flodders, zoals we tijdens een eerder bezoek mochten meemaken.
Echter, de rondleider, Ron Machielsen (oud-dienstplichtige Sergeant-instructeur van het 17ePantser Verkenningsbatillion) had het anders ingepland. Namelijk uitleg over de architectuur van de vesting, het fort en de schootsvelden om een potentiële vijand op ‘een half uur gaans’ te verwelkomen met halfponders en mortieren. (De afstandsmaat ‘een half uur gaans’ ( 2,5 km ) met een normaal marstempo was gangbaar omdat het begrip kilometer nog geen intrede had gedaan).

Het begon met een vesting van duinzand. Maar aan de kust van de Zuyderzee woei dat regelmatig weg. Ook de toenemende technologie en opslag van kruit vereiste een goed beschermd fort, waar het goed toeven moest zijn voor de soldaten die het anno 1672 met tenten moesten doen.
We kunnen uitgebreid uitweiden over het ‘privaat’ en het lozen van de menselijke uitwerpselen in de vestinggracht, of over het verzamelen van hemelwater voor de watervoorziening, inclusief ingenieuze methoden om de handen te wassen met hemelwater dat langs ramen en raamlijsten stroomt, maar daar zie ik vanaf.

Interessanter werd het in de kruitkamer, waar 25 ton kruit in kistjes van 25 kg per stuk (aangevoerd met een ingenieuze goederenlift) zo veel mogelijk vochtvrij werd opgeslagen in de nogal vochtige vestingruimten (waar kalk en cement zich door vocht onttrok aan de stenen en de Geneeskundige Dienst de Vesting rond 1880 ongeschikt verklaarde voor bewoning door militairen wegens de hoge vochtigheidsgraad.
Ook kruit (een mengsel van houtskool, salpeter en zwavel) heeft een hekel aan vocht. ‘Met een sisser aflopen’ heeft duidelijk zijn oorsprong bij kanonniers. Ook is vooral de kwaliteit van houtskool van belang voor de kracht van de explosie in de loop van een kanon. Hoe slechter de kwaliteit, hoe minder ver het schot. Dus werden nieuwe kruit leveringen getest op hun explosieve kracht door een ronde musketkogel op een eenheid kruit te leggen en dat aan te steken. De opspringende kogel werd dan op het hoogste punt na lancering gemeten. Meestal was dat ooghoogte van een gemiddelde soldaat (qua lengte). Door een mix van klein, middenmaat en groot op te lijnen voor de waarneming kon men goed de hoogte van de kogel (rond ‘ooghoogte’) bepalen. En zo de kwaliteit van het kruit kwalificeren als slecht, goed of uitstekend. Daar werd dan qua hoeveelheid kruit voor gecorrigeerd voor een schot van ‘een half uur gaans’.
Voor het doorgeven van treffers en missers hadden ze verkenners achter de vijandelijke linies. Die gaven de plek van een treffer door. Bijvoorbeeld dat meer links of meer rechts t.o.v. de schootslijn naast de kerktoren moest worden gemikt en of het meer of minder dan een ‘half uur gaans’ moest worden. (Hoe ze dat doorgaven bleef helaas onduidelijk)

Vol bewondering keken we naar een model van een mortier (in hout) die uitgevoerd in gietstaal circa 2-3 km ook kon afleggen met een niet te tillen kogel. Zo’n kogel werd weggeknald vol explosief met een brandend lont, zodanig dat deze vlak voor de landing explodeerde om menig vijandig soldaat te treffen met de stalen delen van de bom.

Door een ingenieuze toepassing van gebakken pijpjes met ‘Saskruit’ er in met ruim voorradige kardoezen met kruit uit de kistjes, kon een kanon met een getrainde bemanning een schiettempo van 200 schoten per 5 minuten halen. Bij de mortieren lag het schottempo lager omdat het laden van de zware kogel met een talie moest gebeuren via een per kruiwagen aangevoerde kogel. Het alternatief was twee man die de bom met een juk tilden en zo in de loop van de mortier plaatsten.
In het doolhof van gangen in de vesting troffen we nog een verdwaalde soldaat uit het Prinsenleger….

De rondleider toonde ook een roterende ton die twee functies had. Primair om onder de potentiële manlijke bevolking van de Vestingstad papiertjes met namen te loten wie er als soldaat dienst moest gaan doen. (een soort rad van avontuur)
( De handige jongens werden uitgeloot en de rijke lieden regelden een ‘reeds ingelote’ mede-stadsbewoner ) Eenmaal onder de wapenen diende de roterende ton als nuttige tijdbesteding om de vers gegoten loden musketkogels te ontdoen van bramen en gietselresten door de productie langdurig in de ton rond te draaien.
De vesting bleek toch niet goed te zijn opgewassen tegen de overmacht van de Franse troepen o.l.v. Louis XIV in het ‘rampjaar’ 1672. Een jaar lang was Naarden Vesting daarna in Franse handen. Maar mede door het ‘geheime wapen’ van Stadhouder Willem III, de Waterlinie van Schoonhoven tot Naarden, vielen de Vesting en haar burgers in de stad na een beleg van 6 dagen in 1673 weer in handen van de Stadhouder.


Het beleg van Naarden Vesting door Stadhouder Willem III en de landing van ‘mariniers’ op het Zuyderzeestrand bij Muiderberg
Aangevuld met uitleg over de toenmalig ligging van Naarden aan de zuidkust van de Zuyderzee met stevige eb, vloed en springtij, uitleg over de Waterlinie om Amsterdam te beschermen en een toelichting op het werk van generaal Kraayenhof die rond 1885 het fort aanpaste aan de tijden van toen, wandelden we tevreden in het najaarszonnetje naar het Vestinghotel, waar ons een aangename lunch met vooral gevarieerde broodjes wachtte.

Na een aarzelend begin met water en ‘nulletjes’ kwamen in de 2e bestelronde toch de wijnglazen op tafel.
Met 8 affogato’s en 1 ‘Blondy’ als toetjes. En zo was het ook weer een mooie HMLC lunch.
PhdeKG 25 sept 2026



























































































































































